Elke dag opnieuw een militaire operatie

DeStentor: Bij de ingang aan de Spanjaardsdijk wordt de verslaggever toch zenuwach­tig. Het is na een paar weken wachten eindelijk zover: een rondleiding over het militai­re complex van Lettele. Voor­af werd al gezegd dat een fo­tograaf niet is toegestaan. Be­leid van Defensie. Foto’s worden gestuurd. Bij de in­gang wordt het paspoort ingeleverd als borgVooral tijdens oefeningen is brandstof niet aan te slepen. voor het bezoekerspasje. Dan draait communicatieadvi­seur Raymond Franssen zijn auto onder de slag­boom door en zijn we op het complex. Zijn er tanks en wapens? „Dat is de enige tank die je zult zien”, zegt Franssen terwijl hij naar een panstervoertuig wijst. Het staat in een groen­perk en is buiten gebruik. Het staat er voor de sier. De teleurstelling is snel voorbij, want kolonel Meijerink (com­mandant Algemeen Goederen Bedrijf ) en ma­joor Simons (commandant Afdeling Fysieke Distributie Overige Goederen oftewel AF­DOG) nemen de bezoekers in straffe pas op sleeptouw.
Het complex in Lettele is onderdeel van het Al­gemeen Goederen Bedrijf (AGB). Het AGB zorgt dat Nederlandse militairen alle spullen krijgen die ze nodig hebben. Van batterijen tot rupsbanden en het maakt niet uit of de militai­ren op oefening in Duitsland zijn of op missie in Afghanistan. Op ‘Lettele’ werken ongeveer 150 mensen.
„We doen hier bij AFDOG aan inslag, opslag en uitslag”, zegt majoor Simons. We lopen de loods voor de inslag binnen. „Hier komt alles binnen en daar rechts zie je spullen die direct door gaan naar Afghanistan. Palen voor ten­ten, camouflagedoeken, simpele penlights, maar ook een remtrommelset voor een vier­tonner. In totaal hebben wij 116.000 verschil­lende artikelen.” Verspreid door de hal staan al­lerlei producten. „ Daar staan voorruiten voor onze jeeps en ook komen hier bijvoorbeeld motoren binnen voor tanks. We leveren de re­serve- onderdelen van alles wat kan rijden.”
Opvallend is dat de kolonel en majoor eigen­lijk de enigen in uniform zijn. De rest van de medewerkers loopt in gewone kleren en is ook geen militair. Simons: „Dat is voor de continuï­teit. Militairen kunnen worden weggezonden en het werk gaat hier altijd door.” Overigens is het overduidelijk een militair complex: hef­trucks zijn in de kenmerkende donkergroene kleur gespoten en een klein Nederlands vlagge­tje ontbreekt niet op de voertuigen.
We lopen verder naar ‘opslag’. Buiten staan rupsbanden opgestapeld, klaar voor Afghanis­tan. Binnen in de loods wordt duidelijk hoeveel 116.000 artikelen eigenlijk zijn. De enorme loods staat vol stellages van minimaal tien me­ter hoog. De goederen liggen tot aan het pla­fond opgeslagen. Speciale heftrucks rijden tus­sen de stellages door. Ze kunnen de hoogste kratten zonder problemen pakken. De opslagloods van het complex bij Lettele.
Misschien nog indrukwekkender zijn de 17 me­galiften in deze loods. Ook deze komen tot aan het plafond en zijn de bewaarplek van kleinere onderdelen. Schroefjes, bouten, draadjes, dat werk. Majoor Simons loopt naar de eerste lift en wijst op een plaatje. Er staat ‘108 locaties’. „Dat is het aantal vakjes in deze lift. Dus 108 vakjes met verschillende onderdelen. Maar ver­derop staat een megalift met 3888 locaties.” Hij typt 23 in en plank 23 komt volautomatisch naar beneden. „ Je ziet dat we niet alle schroef­jes naast elkaar leggen, maar de ene soort schroef weer naast iets totaal anders. Daardoor worden minder fouten gemaakt met het pak­ken van goederen.”
We lopen door naar het laatste onderdeel, de hal voor uitslag. Hier worden alle bestelde goe­deren klaargezet voor transport. Simons: „Twee keer per dag komen vier vrachtwagens spullen halen. Maar we hebben ook nog een eigen vrachtwagen. Als ze om 12 uur bellen, kunnen de spullen om 14 uur op vliegveld Eindhoven zijn voor transport naar Afghanistan. Dan is het zondag daar. Verder houden we de voorraad in Afghanistan op peil door te ‘pushen’.” Dat is ei­genlijk niet anders dan het constant sturen van goederen die veel worden gebruikt. „Elke twee maanden sturen we per schip bijvoorbeeld con­tainers met banden. Dat duurt langer dan met het vliegtuig, maar is veel goedkoper. Het is zes weken varen en gaat dan met een burgermaat­schappij door Pakistan.”
De rondleiding is afgerond, maar het hoofd tolt nog door. Liefst 1500 tot 2000 verpakkingen worden elke dag verzameld in Lettele en gaan de hele wereld over. Kolonel Meijerink: „Maar dit is eigenlijk een klein complex. Dan moet je eens naar Oirschot gaan. Dat is honderden ke­ren groter.”
Verscholen tussen de bomen en hermetisch afgesloten : de militaire complexen bij Lettele en Bathmen. Voor de Stentor gingen de slag­bomen voor één keer omhoog.

 Mobieltjes inleveren en aan de heftruck een zuurstofmasker

BATHMEN – De baas op het com­plex bij Bathmen is Harry van der Vegte, hoofd Afdeling Fysieke Dis­tributie. Samen met 28 medewer­kers zorgt hij dat de militairen be­schikken over smeermiddelen, brandstof, oliën en schoonmaak­middelen. In zekere zin is dit de vloeibare versie van het complex bij Lettele. Van der Vegte: „ Ook zit hier Paresto, cateraar van Defensie. Die zorgt voor het eten en drin­ken van de mannen en vrouwen in het veld. Wij hebben hier ook gevechtsrantsoenen. Dat zijn blik­ken met bijvoorbeeld ham, maca­roni en bonen. Die zijn heel lang houdbaar, daar hebben we bijna een loods vol van.”
Ook op het complex aan de Kie­kenbeltsweg wordt gewerkt met het principe van inslag, opslag en uitslag. Het gebouw waar het meest ligt opgeslagen, is de be­drijfsstoffenloods. Voordat de deur open gaat, worden mobiele tele­foons ingeleverd. Zodat vonkjes de dampen niet laten ontbranden.
In de pakweg tien meter hoge loods liggen tot aan het plafondIn Bathmen ligt brandstof in ondergrondse tanks. al­lerlei oliën, smeermiddelen en che­mische stoffen opgeslagen. Perso­neel werkt in brandvertragende kleren. De temperatuur wordt tus­sen 10 en 15 graden gehouden, de vloeren zijn vloeistof-dicht zodat niets de grond in lekt en de ruim­tes kunnen worden afgesloten met brandwerende deuren. Spuitbus­sen staan achter een stevig gaas, zo­dat ze bij een eventuele brand niet door de loods schieten. De automa­tische brandblusinstallatie staat echter altijd paraat. „We blussen met CO2. Dan haal je de zuurstof weg en gaat het vuur uit. De hef­trucks zijn voorzien van zuurstof­maskers voor noodgevallen. Mas­kers omhangen wordt regelmatig geoefend. Maar gassen en radioac­tieve stoffen hebben wij niet. Wel bijvoorbeeld middelen om voertui­gen te ontsmetten na chemische oorlogsvoering. We moeten overal kennis van hebben. Dat is niet al­tijd eenvoudig en voor het vervoer van elke stof zijn specifieke regels en wetten. De mensen die hier werken, zijn opgeleid voor weg-, zee- en luchtvervoer van gevaarlij­ke stoffen en krijgen elke twee jaar een opfriscursus en leren wat de nieuwe regels zijn. De stellages worden elk jaar gekeurd en de vloeren en blusinstallaties twee keer per jaar. Ook hebben we hier onze eigen brandweergroep.” Een mini- kazerne staat inderdaad cen­traal op het complex. Van de loods - waar elke dag vrachtwagens af en aan rijden ­gaan we naar de brandstofafdeling. Vier ondergrondse tanks met elk een inhoud van 100 kubieke meter zijn de belangrijkste installaties. Van der Vegte: „Twee zijn gevuld met diesel, de andere met benzine en kerosine. Die voorraad gaat soms maar een paar uur mee. Een tankwagen neemt 20 kubieke me­ter mee en soms komen meer dan vier van die wagens per dag. Zeker als er schietoefeningen zijn.” Ruim 50.000 jerrycans worden elk jaar automatisch gevuld.
Iets verder staat de jerrycan-vulin­stallatie. Ruim 1000 jerrycans van elk 20 liter staan klaar om automa­tisch te worden gespoeld en ge­vuld. Deze komen net terug van een schietoefening in Duitsland. Personeel hoeft de jerrycans alleen maar op de lopende band te zet­ten en er aan het eind weer af te halen. Per jaar vult ‘Bathmen’ ruim 50.000 jerrycans. „Dit is ook de enige locatie waar de mobiele brandstofcontainers van operatio­nele eenheden worden gevuld. Ook zorgen wij voor de bevoorra­ding van militaire pompstations. Onze collega’s in Den Helder doen dit voor de schepen en wij voor voertuigen en materieel als noodaggregaten en veldkachels.”
Achter de vulinstallatie ligt een vij­ver met bluswater en is een grote ondiepe kuil gegraven. Militairen oefenen hier met ‘ bledders’: zak­ken waar 120.000 liter brandstof in kan. „ Daarmee voorzien ze heli­kopters in het veld van brandstof. Maar het is niet zo dat je er brand­stof in doet en dat het dan klaar is. Je moet altijd goed op de kwaliteit letten. Vóór elke uitzending ko­men de militairen die verantwoor­delijk zijn voor de brandstofvoor­raad twee dagen hier. Ze worden dan klaargestoomd voor de ‘ job’.”

Terug